Een typische vermogende ANBI belegt om 1) jaarlijkse bestedingen te doen in het kader van de missie en 2) een reëel stamvermogen in stand te houden (bedoeld voor toekomstige bestedingen).
Hieronder ziet u een tabel die enig inzicht geeft in wat er op korte termijn zoal zou kunnen gebeuren met die beleggingen. Daarbij vraag ik uw aandacht voor het optimistische scenario waarin een reëel (d.w.z. gecorrigeerd voor inflatie) beleggingsrendement van maar liefst +15% wordt behaald in 2026.
In beginsel zal de Belastingdienst veronderstellen dat de ANBI die 15% op de kortst mogelijke termijn een concrete bestemming zal geven. Die 15% moet en zal eruit. Dit volgt uit het Besluit ANBI 2025.
Er is dan dus géén (tijdelijk!) buffertje om eventuele tegenslagen in volgende jaren op te vangen. Bovendien zal menig vermogensfonds moeite hebben met een dergelijke onmiddellijke opschaling van de bestedingen. Het geld moet immers wel verantwoord en in lijn met de missie besteed blijven worden.
Het is daarom belangrijk dat een vermogende ANBI een goed doordacht, adaptief bestedingsbeleid heeft dat voldoet aan de diverse wensen van én de schenker én de overheid. "We mikken op x% per jaar" is geen optie meer. Het jaarverslag over 2025 is een mooie plek om dat doordachte beleid vast te leggen.
---
Geen beleggingsadvies. Geen belastingadvies.
Het nieuwe ANBI-besluit en de daarin gepresenteerde berekeningsformule voor een vast bestedingspercentage leiden tot veel vragen en zorgen in de sector. Bob legt de achtergronden helder uit en presenteert praktisch toepasbare alternatieven die vermogensfondsen kunnen helpen adequaat te voldoen aan de richtlijnen zonder hun vermogensstrategie te ondermijnen.
Het op- en afbouwen van het vermogen van een vermogende ANBI om zo naar het reële stamvermogen te tenderen zit ingebouwd in de verbeterde methode om het bestedingspercentage vast te stellen. Dat is de methode die ik onlangs presenteerde bij de FIN (branchevereniging van fondsen en foundations).
Zulke ANBI's hebben in theorie een oneindige horizon en in de praktijk meestal ook geen haast. Maar hoe lang duurt het eigenlijk om een afwijking van het reële stamvermogen weer recht te breien?
Zoiets hangt natuurlijk af van hoeveel er op- of afgebouwd moet worden. Hieronder laat ik zien wat de mediane "terugkeertijd" is voor elke dekkingsgraad (zijnde actueel vermogen : reëel stamvermogen).
Waarom duurt het zo lang om terug te komen van een (hele) lage dekkingsgraad? Uiteraard heeft dat te maken met het reële rendement van de strategische asset-allocatie (in verwachting blijft er in mijn voorbeeld maar +2,2% over na kosten en inflatie), maar ook met mijn aanname dat jaarlijkse bestedingen nooit helemaal on hold zullen worden gezet. Bestedingen zijn tenslotte de raison d'être van charitatieve vermogensfondsen.
En dat het afbouwen van een (hele) hoge dekkingsgraad relatief vlot gaat is iets dat de Belastingdienst waarschijnlijk wel zal kunnen waarderen.
Een nieuwe vraag in de reeks over het Besluit ANBI. Heeft een charitatief vermogensfonds een soort minimaal bestedingspercentage?
Bij de BGEZ-methode om het bestedingspercentage vast te stellen wordt in eerste instantie verondersteld dat − hoe slecht het vermogen (de dekkingsgraad) er ook voorstaat − een vermogensfonds tenminste 1% per jaar zal uitgeven. Besteden is tenslotte waar het uiteindelijk om draait. In het standaardvoorbeeld (zonder demping) leidde dat tot een bestedingsformule die voor alle dekkingsgraden tot 92% inderdaad 1% oplevert, om vanaf dat aangrijpingspunt 0,06% extra te besteden voor elk procentpunt dat de dekkingsgraad boven die 92% ligt.
Ik kan me vrijwel niet voorstellen dat een vermogensfonds op enig moment de kraan helemaal dicht zal willen/kunnen draaien. Maar het kan uiteraard wel gemodelleerd worden. Het aangrijpingspunt verschuift dan naar een dekkingsgraad van 62% (daaronder dus geen bestedingen), om vanaf daar 0,05% extra te besteden voor elk procentpunt daarboven.
We zien hieronder inderdaad een kleine verschuiving aan de onderkant van de kansverdeling (in het zogenaamde stochastische evenwicht). Het 5e percentiel van groen is een dekkingsgraad van 39%. Van rood is dat 51%. De mediaan (100%) en het 95e percentiel (150%) blijven gelijk, aangezien dit zit ingebakken in de kalibratiemethode.
Maar het blijft een soort gewetensvraag. Verplaatst u zich eens in de positie van een toekomstig bestuur dat onverhoopt tegen een dekkingsgraad van 50% aankijkt. Gaat dat bestuur alle bestedingen on hold zetten (in ieder geval tot de dekkingsgraad weer boven de 62% uitkomt)? Is dat realistisch?
En nog iets voor de vermogende ANBI in het kader van het Besluit ANBI (2025). Gaat uw vermogensfonds de boel gladstrijken?
Hieronder laat ik zien hoe het hanteren van een "beleidsdekkingsgraad" de schommelingen in de jaarlijkse bestedingen fors kan doen laten afnemen t.o.v. de "kale" BGEZ-methode om tot een bestedingspercentage te komen.
Het is nu eenmaal voor veel charitatieve vermogensfondsen zeer gewenst om die schommelingen in de bestedingen enigszins onder controle te houden.